Kant-en-klaar lesmateriaal
De officiële leerlijnen voor rekenen en taal, met kant-en-klare oefeningen per leerdoel.
Optellen en aftrekken kommagetallen
De leerling telt op en trekt af met kommagetallen.

Vermenigvuldigen buiten de tafels
De leerling maakt keersommen buiten de tafels.

Getallen splitsen
De leerling splitst getallen.

Breuken vermenigvuldigen
De leerling vermenigvuldigt breuken.

Vermenigvuldigen en delen met kommagetallen
De leerling vermenigvuldigt en deelt met kommagetallen.

Breuken optellen en aftrekken
De leerling telt breuken op en trekt ze af.

Aanvullen tot een rond getal
De leerling vult getallen aan tot een rond getal.

Verdubbelen en halveren
De leerling verdubbelt en halveert getallen.

Gemiddelde
De leerling berekent het gemiddelde.

Delen
De leerling maakt deelsommen.

Tafels
De leerling kent en gebruikt de tafels.

Voorrangsregels
De leerling past de volgorde van bewerkingen toe.

Optellen en aftrekken
De leerling telt op en trekt af met hele getallen.

Schattend optellen en aftrekken
De leerling schat de uitkomst van optel- en aftreksommen.

Bijzondere getallen
De leerling herkent bijzondere getallen.

Getallen in woorden en cijfers
De leerling zet getallen in woorden om naar cijfers en andersom.

Getallen vergelijken
De leerling vergelijkt getallen.

Kommagetallen vergelijken en ordenen
De leerling vergelijkt, ordent en plaatst kommagetallen.

Kommagetallen afronden
De leerling rondt kommagetallen af.

Even en oneven getallen
De leerling herkent even en oneven getallen.

Breuk bij een figuur
De leerling herkent de breuk die bij een figuur hoort.

Breuken ordenen en plaatsen
De leerling plaatst breuken op de getallenlijn.

Getallen op de getallenlijn
De leerling plaatst getallen op de getallenlijn.

Breuk van hoeveelheid berekenen
De leerling berekent een breuk als deel van een hoeveelheid.

Plaatswaarde cijfers
De leerling bepaalt de waarde van cijfers in een getal (plaatswaarde).

Getallen afronden
De leerling rondt getallen af.

Breuken als deel van een geheel
De leerling herkent breuken als deel van een geheel.

Breuken vergelijken en vereenvoudigen
De leerling vergelijkt en vereenvoudigt breuken.

Doortellen vanaf willekeurig getal
De leerling telt door en terug vanaf een willekeurig getal.

Kommagetal en breuk omzetten
De leerling zet kommagetallen om naar breuken en andersom.

De juiste breukcirkel kiezen
De leerling kiest de breukcirkel die bij een breuk hoort.

Kommagetallen lezen en schrijven
De leerling leest en schrijft kommagetallen.

Doortellen met sprongen
De leerling telt door en terug met sprongen.

Hoeveelheden tellen
De leerling telt hoeveelheden.

Buurgetallen en ordenen
De leerling bepaalt buurgetallen en ordent getallen.

Breuk aanvullen tot een geheel
De leerling vult een breuk aan tot een geheel.

Diagrammen en tabellen aflezen
De leerling leest gegevens af uit diagrammen en tabellen.

Oriënteren in de ruimte
De leerling oriënteert zich in de ruimte.

Vlakke en ruimtelijke figuren
De leerling herkent en benoemt vlakke en ruimtelijke figuren.

Symmetrie
De leerling herkent symmetrie en spiegelbeelden.

Gewichtsmaten omrekenen
De leerling rekent gewichtsmaten om.

Inhoudsmaten omrekenen
De leerling rekent inhoudsmaten om.

Digitale klok aflezen
De leerling leest de tijd af op een digitale klok.

Analoge en digitale tijd omzetten
De leerling zet analoge en digitale tijd in elkaar om.

Kalender en tijdseenheden
De leerling gebruikt de kalender en tijdseenheden.

Oppervlakte berekenen
De leerling bepaalt en berekent oppervlakte.

Lengtematen omrekenen
De leerling rekent lengtematen om.

Betalen en wisselgeld
De leerling bepaalt totaalbedrag, wisselgeld en gepast betalen.

Geldbedragen tellen
De leerling telt geldbedragen en wisselt geld.

Lengte meten en vergelijken
De leerling meet en vergelijkt lengtes.

Samengestelde grootheden
De leerling rekent met samengestelde grootheden.

Gewicht vergelijken en wegen
De leerling gebruikt en vergelijkt gewicht.

Inhoud berekenen
De leerling gebruikt inhoudsbegrippen en berekent inhoud.

Omtrek
De leerling berekent de omtrek van rechthoekige figuren.

Temperatuur aflezen
De leerling leest temperatuur af en rekent met temperatuurverschil.

Tijdsduur en tijdstip
De leerling berekent tijdsduur en tijdstip.

Analoge klok aflezen
De leerling leest de tijd af op een analoge klok.

Oppervlaktematen omrekenen
De leerling rekent oppervlaktematen om.

Patronen
De leerling zet patronen voort.

Procenten aflezen uit een diagram
De leerling leest percentages af uit een diagram.

Procent, breuk en kommagetal omzetten
De leerling zet procenten, breuken, verhoudingen en kommagetallen in elkaar om.

Rekenen met procenten
De leerling rekent met percentages.

Verhoudingstabel
De leerling lost verhoudingsproblemen op met een verhoudingstabel.

Schaal
De leerling rekent met schaal.
